logo
logo

Aardappelcysteaaltje

Levenscyclus

 

 
 

Deze oorspronkelijk uit Zuid-Amerika afkomstige aaltjes hebben de aardappel als enige waardplant. Hun wetenschappelijke namen zijn Globodera rostochiensis (Biotype ABC) en Globodera pallida (Biotype DE). Aardappelcysteaaltjes hebben 1 cyclus per jaar. Daarbij gaat het om 100 tot 1000 eitjes per cylcus.

Vanwege de grote schadelijkheid zijn aardappelcysteaaltjes quarantainesoorten waarvoor wettelijke regelingen van kracht zijn.
 

Schade

Besmettingen in een perceel zijn te herkennen aan plekken die achterblijven in groei. Vaak gaat het om inovale plekken. Bij een hoge besmettingsgraad kan het opbrengstverlies oplopen tot maar liefst 80%.

In vatbare rassen kunt u de cysten op de wortels met het blote oog zien. Bij resistente rassen kan er wel schade optreden, maar zijn geen of zeer weinig cysten zichtbaar op de wortels. Er is vaak onduidelijkheid over de begrippen resistentie en tolerantie. 
 

Aan de verkleuring van de cyste is de soort te herkennen:

Verkleuren de cysten van wit naar bruin, dan gaat het om Globodera pallida.

Globodera rostochiensis verkleurt van wit via geel naar bruin.

De cysten hebben een ronde vorm en zijn zichtbaar vanaf eind juni.

 

Resistentie en Tolerantie

Resistentie
Een AM-resistent ras is in staat de aaltjesbesmetting te verlagen. Toch wordt een resistent ras, net als een vatbaar ras, aangeprikt door aardappelcysteaaltjes. Het verschil is dat de aaltjes op vatbare rassen veel cysten vormen en op minder vatbare of resistente rassen weinig tot geen. Bovendien bevatten de cysten minder eitjes.
 
Omdat op resistente rassen geen of weinig cysten worden gevormd, is AM-schade niet altijd te herkennen aan het wel of niet voorkomen van cysten op de wortels.
 
Tolerantie
Zowel resistente als vatbare rassen worden aangeprikt door aardappelcysteaaltjes. De planten hebben last van dit aanprikken. Maar de schade die het veroorzaakt, verschilt sterk. Een ras dat weinig hinder ondervindt van het aanprikken, is tolerant en een ras dat er veel last van heeft, is gevoelig. De tolerantie van een ras zegt dus alleen iets over gewasschade en niets over resistentie tegen aaltjesvermeerdering.

 

Bestrijding

Er zijn verschillende manieren om dit aaltje te bestrijden:

  • Bouwplan
  • Door een ruime teeltrotatie en/of inzet van resistente rassen is het mogelijk de aaltjespopulatie onder controle te houden. Een veilige teeltfrequentie met vatbare rassen ligt op eens in de zes jaar of ruimer. Aardappelopslag moet wel goed worden bestreden. Aaltjesvermeerdering is een feit als de aardappelopslag begin juli nog groen staat.

 

  • Resistente rassen
  • Bij inzet van rostochiensis (ABC) resistente rassen op een rostochiensis (ABC) besmetting, kan de teeltfrequentie van aardappelen worden verhoogd. Het gebruik van resistente rassen vermindert het besmettingsniveau met 80% na één teelt.
    De situatie voor G. pallida (DE) ligt ingewikkelder. Pallida (DE) resistente rassen laten namelijk altijd de vorming van wat nieuwe cysten toe. Het is zaak de teeltfrequentie en de rassen zo te kiezen dat de beginbesmetting voor de volgende aardappelteelt onder de schadedrempel blijft. Sommige pallida (DE) resistente rassen hebben een lage tolerantie. Dat wil zeggen dat het aaltje zich niet vermeerdert, maar wel schade aan het gewas toebrengt.

 

  • Raketblad, vanggewas en fumigantia
    Ook door het telen van raketblad als groenbemester kan de populatie aaltjes sterk worden teruggedrongen. Nadeel is dat raketblad een teeltjaar vraagt, en er in dat jaar dus geen economisch gewas kan worden geteeld. Verder kunnen aardappelen als vanggewas worden geteeld. Deze moeten dan volvelds worden gepoot en uiterlijk 21 juni worden doodgespoten. Schade is daarnaast te beperken door een grondontsmetting met fumigantia.

 

  • Granulaten
  • Het gebruik van granulaten is een effectieve manier om opbrengstschade tegen te gaan. U bevordert de beginontwikkeling van de aardappelplanten, waarmee u de basis legt voor een goede opbrengst. Als u het middel Vydate 10G gebruikt, vermindert u daarnaast ook schade door vrijlevende aaltjes, wortelknobbel- en wortellesieaaltjes.
    Granulaten kunnen op twee manieren worden ingezet: volvelds voorafgaand aan het poten of tijdens het poten in de rijen.

 

  • Dosering van Vydate 10G bij volveldstoepassing: 20-40 kg per hectare. Strooi Vydate zo gelijkmatige mogelijk vlak voor of tijdens het pootklaar maken van de grond. Daarna direct inwerken tot een diepte van 10-15 cm.
  • Dosering Vydate 10G bij rijenbehandeling: 10 kg per hectare. Strooi het middel in een strook van 25-30 cm in de aardappelrug met op de pootmachine gebouwde apparatuur.
  • Doodspuiten
  • Als u rond het sluiten van het gewas een beginnende besmetting signaleert, is het doodspuiten van de plek in een ruime cirkel rond de slecht groeiende planten een optie. Door dit uiterlijk 21 juni te doen, wordt de levenscyclus van het aardappelcysteaaltje onderbroken. In plaats van forse aaltjesvermeerdering vindt dan sanering van de besmetting plaats.

Wetgeving

Vanaf 1 juli 2010 geldt de nieuwe bestrijdingsrichtlijn aardappelmoeheid. Dit betekent met name dat bij onderzoek na 1 juli 1500 ml grond per hectare wordt bemonsterd en onderzocht, tenzij het recht op verlaging tot 600 ml per hectare kan worden aangetoond. Daarnaast wordt bij vondsten van aardappelmoeheid in grondmonsters die na 1 juli zijn genomen, een ruimere afbakening van de besmetting toegepast (minimaal 16 meter). Ook wordt de wachtperiode voor bemonstering op een besmet perceel langer (minimaal drie jaar). De langere duur van de wachtperiode geldt voor alle besmetverklaringen, dus ook voor de besmetverklaringen die vóór 1 juli 2010 zijn opgelegd.

Meer informatie

Meer informatie over de nieuwe bestrijdingsrichtlijn voor aardappelmoeheid en de gevolgen per sector staat op www.vwa.nl.